Optimalisatie in de bouwketen

optimalisatie-in-de-bouwketenBinnenkort zal het NEN-norminstituut het vernieuwde deel 1 van de inspectienorm NEN 2767 vrijgeven. Centraal bij de vernieuwing staat de methodische integratie van de conditiemetings-methodiek voor de GWW- en de B&U-sector.

De huidige versie kent nog separate uitwerkingen van de conditiemetingsmethodiek voor de bouwdelen bij infrastructuur en vastgoed. Het vernieuwde deel 1 verbindt de oude delen 1 en 4.1 waarmee de basis wordt gelegd tot uniforme gebrekenlijsten voor de gebouwde omgeving. Deze zullen in navolging van het verschijnen van deel 1 in een gezamenlijk deel 2 zijn beslag moeten gaan krijgen. Maar voordat het zover is, is het goed nog eens stil te staan bij het belang van conditiemeting en haar rol en bijdrage in de bouwketen. Dat doen we samen met Roy Pillen, Coördinerend adviseur vastgoed (Cluster Kaders) bij Directie P&P, Rijksvastgoedbedrijf en Roel Warringa, Technisch Directeur bij Helix.

Ontstaan conditiemeten

Conditiemeten is in de jaren ’80 van de vorige eeuw ontstaan vanuit de behoefte bij met name grote gebouwbeheerders zoals woningbouwcorporaties, de Rijksgebouwendienst en de Dienst Gebouwen Werken en Terreinen (DGW&T) van Defensie. Om haar voorraad kwalitatief op orde te houden, hadden zij behoefte aan een instrument op basis waarvan zij afgewogen beslissingen konden nemen voor het plannen van onderhoudsmaatregelen. Deze behoefte heeft uiteindelijk geleid tot het vastleggen van afspraken rond conditiemeten. Eerst voor de B&U / vastgoed, later ook voor de GWW / infrastructuur. Echter, de vertrekpunten en verwachtingen rond deze NEN 2767-norm waren bij de betrokken partijen binnen deze sectoren niet geheel congruent. In grote lijnen had de B&U-sector met name behoefte om met de uitkomsten van conditiemeting een directe sturing te geven aan haar onderhoudsprogrammering. De infrasector zocht en vond in het latere deel 4 veel meer een ordeningsmethode voor haar areaal op basis waarvan zij objectief de technische conditie van bouwdelen kon (laten) vaststellen. De relatie met onderhouds-programmering was van secundair belang.

Onderhoudskwaliteit

Voor zowel de infra- als de vastgoedsector gold dat de NEN-norm een goed afwegingskader vormde tussen beheerders/eigenaren van bouwwerken en aannemers/marktpartijen voor het maken van afspraken over onderhoudskwaliteit. Het bepalen van conditiescores aan de hand van geconstateerde gebreken volgens een NEN 2767-inspectie is tot een algemeen en breed geaccepteerde methodiek verworden. Roel Warringa, tevens bestuurslid bij het NVDO InspectiePlatform ziet in de praktijk echter dat verwachting en toepassing uit elkaar lopen. “Zodanig dat de meerwaarde van een gestandaardiseerde afspraak als de NEN 2767 onder druk komt te staan omdat niet helder is wat men er nu van kan en mag verwachten. De praktijk leert dat er behoefte is aan meer duidelijkheid als het gaat om belangen en rollen, met de bijbehorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, van de spelers in de bouwketen”. Pillen van het Rijksvastgoedbedrijf vindt dat de vertrekpunten van het paradigma rond Asset Management ons een eerste handreiking biedt.

Er is onderscheid in drie (hoofd-)rollen:

1. Eigenaar (die tevens de gebruiker is dan wel vertegenwoordigd)
2. Beheerder
3. Aannemer
Vertrekpunt bij de vernieuwde NEN 2767 is meer en beter rekening te houden met de deze rollen en bijbehorende belangen. Maar bovenal vindt Pillen, vanuit de gedachte door standaardisatie bij te dragen aan ketenoptimalisatie. “Hoe betrokken partijen in de bouwketen in onderlinge samenhang optimaler kunnen presteren”.

Operational Excellence in de bouwketen

Afgelopen decennia stonden vooral in het teken van het optimaliseren van processen binnen de schakels die in de bouwketen te onderscheiden waren. De ISO 9000serie voor kwaliteitszorg, de ISO 14000serie voor milieuzorg en OSHAS 18000 voor ARBO-veiligheid waren er vooral op gericht de bedrijfsprocessen bij organisaties te optimaliseren vanuit primair haar eigen bedrijfsbelang. Met de komst van de PAS 55 en later de ISO 55000 is een volgende stap gezet in het ‘kwaliteitsdenken’ en procesoptimalisatie. Pillen is er duidelijk over “Door in de keten te identificeren waar de gezamenlijke belangen liggen en daar met ketenpartners overeenstemming over te krijgen, kunnen instrumenten (of ‘standaarden’) worden ontwikkeld die een groter en breder doelbereik kennen dan tot dusver. Belangrijke incentive aan deze ontwikkeling is het levensduurdenken (‘cradle to cradle’, LCC, enz.). Het besef binnen de bouwketen dat na elk nieuwbouwproject een beheer- ( instand-houdings)fase volgt maar tegelijkertijd dat elke beheerfase vooraf wordt gegaan door nieuw- danwel verbouw met keuzes die moeten worden gemaakt voor inrichting, materiaalsoorten, afwerkingsniveaus, specifieke gebruikseisen enz. is gemeengoed aan het worden. Echter, daar ook passend instrumentarium voor vinden vergt geduld maar met name inzicht in elkaars belangen en rollen. Binnen het integratietraject van de NEN 2767 is dit benoemd als ‘horizontale integratie’.  En het is dan ook met name op dit aspect waar vanuit fase 1 van de vernieuwde NEN 2767 uitdagingen zijn gesignaleerd. Uitdagingen die veel verder reiken dan de inspectiefase en de rol van de NEN 2767 binnen de bouwketen”.

Nieuw deel 1 NEN 2767 en uitdagingen voor de bouwketen

Warringa dacht en schreef mee aan het vernieuwde deel van de inspectienorm. “De hoofdtekst en het raamwerk voor gebrekenlijsten, bijlage A, wijken in haar essentie niet veel af van de huidige NEN 2767. Centrale doelstelling blijft het aanbieden van een instrument om een objectief, integraal en uniform schadebeeld te bepalen waarmee de conditie van een bouwdeel is vast te stellen”. In het vernieuwde deel 1 wordt explicieter aangegeven dat het essentieel is dat er eenduidigheid bestaat tussen gebrek aan een bouwdeel en de prestatie die wordt verwacht van het element waarvan het bouwdeel onderdeel uitmaakt. Technische gebreken zorgen voor prestatieverlies en zijn van (grote) invloed op de functionele prestatie-eisen die aan een bouwwerk worden gesteld. Grootste verandering is dat nu sprake is van 1 methodiek voor bepalen gebreken en vastleggen conditiescores voor bouwdelen in de gehele gebouwde omgeving.

De grootste verandering met de huidige NEN 2767 is het explicieter maken van de werkingsfeer van de NEN 2767 en vooral waartoe het beperkt is: het is en blijft primair een inspectietool. De verwijzing naar de aanvullende mogelijkheden blijft bestaan maar wordt beter in perspectief geplaatst. Goed voorbeeld is de opgenomen hiërarchische opdeling in fysieke entiteiten binnen de gebouwde omgeving. Het geeft het belang aan van de noodzaak tot uniformiteit en standaardisatie in de bouwketen.

Bijlage B, de rekenmethodiek voor het bepalen van de conditie bij samengestelde delen, is eveneens intact gebleven. Over de methodiek van aggregeren, in relatie bezien met onderhoudsprogrammering, zijn de afgelopen jaren kritische vragen gesteld. Aard en omvang van portefeuille / areaal lijkt debet te zijn aan de toepasbaarheid van de rekenmethodiek. Generiek kan worden gesteld dat de bestaanspraktijk leert omzichtig om te gaan met aggregeren naar hogere niveaus. Aggregatie lijkt alleen effectief bij een verzameling van gelijksoortige (bouwkundige, civieltechnisch, installatietechnisch, electro-technisch) bouwdelen.

Om efficiëntie te bereiken binnen het inspectieregime en overlast van de gebruikers van beheerobjecten tot een minimum te beperken, zijn binnen de NEN 2767 mogelijkheden opgenomen om, naast technisch-conditionele, aanvullende opnamen te doen. Zo wordt in de informatieve bijlage C verwezen naar verzorgingsgebreken die door een NEN 2767-inspecteur in kaart kunnen worden gebracht. In afwijking tot de huidige versie volgt in het vernieuwde deel 1 een verwijzing naar aanvullende tabellen waar de verzorgingsscore separaat wordt vermeld en niet integraal met technische gebreken worden meegenomen bij het bepalen van de conditiescore.

NEN 2767 en Asset Management ontmoeten elkaar

In bijlage D komt de kern van de relatie tussen de NEN 2767 en Asset Management bij elkaar. Deze informatieve bijlage gaat in op het op beheerniveau kwantificeren van risico’s, gekoppeld aan de bedrijfswaardes van de eigenaar/beheerder. Deze bijlage gaat dus niet zozeer over het inspecteren maar over hoe de geconstateerde gebreken kunnen worden afgezet tegen de prestaties die een eigenaar/beheerder verwacht van een beheerobject. Het geeft de NEN 2767-inspecteur de aanvullende ruimte om een risico-indicatie af te geven zonder dat een oordeel over prioriteit van herstel wordt gegeven. Wil een eigenaar/beheerder optimaal gebruik maken van de kracht van een conditiemeting en wil zij haar onderhoudsbeheer risicogestuurd invullen dan biedt bijlage D een eerste handreiking. Het is dan wel zaak dat de eigenaar/beheerder voor al haar kritische elementen en bouwdelen een prioriteit-/aspectenmatrix opgesteld.

Hoe de uitkomsten van een conditiemeting als input kunnen dienen bij het opstellen van een meerjarenonderhoudsprogramma staat in de, tevens informatieve, bijlage E. In bijlage F tenslotte geeft een uitwerking hoe bouwdelen aan de orde komen die niet op basis van waar te nemen gebreken of slijtage te beoordelen zijn. Hiertoe is het gebrek ‘verval’ gedefinieerd. Met een  ‘vangnetconstructie’ kan een conditiescore worden bepaald aan de hand van een theoretische benadering van het verouderingsproces.

Kansen

Pillen en Warringa geven aan waar de kansen op korte termijn voor ketenpartners in de bouw liggen. “Door inzicht in elkaars belangen en rollen kan beter (in-)gepland worden en aan verwachtingen worden voldaan. Het nodigt uit om, ketengeoriënteerde, instrumenten (door-) te ontwikkelen. Centrale procesplanning in de bouwketen zal meer aandacht krijgen wat de doelmatigheid en effectitiviteit van de werkprocessen in de bouwketen zal verbeteren”.

Bron: met dank aan NVDO (www.nvdo.nl)
Artikel geplaatst in: Vakblad Asset Management #2

Roel Warringa - Commissielid en rapporteur NEN 2767

Over de auteur

Roel Warringa - Commissielid en rapporteur NEN 2767
Roel werkt mee aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van conditiemeten. Hij is rapporteur van NEN 2767 conditiemeting en bestuurslid van NVDO, waar hij meewerkt met nieuwe ontwikkelingen op dit vakgebied. Daarnaast is Roel technisch directeur bij adviesbureau Helix. Ook is Roel lid van Platform Inspectiebranche. Roel wil de kennis niet voor zichzelf houden, maar inbrengen naaar de markt.